19.07.2004

Armoederapport 2004 (9de armoederapport)
Deel 1: armoede-indicatoren, gebrek aan inkomsten en overmatige schuldenlast

Het eerste hoofdstuk van het armoederapport beschrijft een aantal armoede-indicatoren op basis van de gegevens van de Brusselse OCMW's en andere gegevens.

Na een stabilisering van de armoedecijfers eind jaren '90, wijzen heel wat indicatoren weer op een toename van het aantal mensen dat in armoede leeft. We schatten dat het aantal huishoudens dat een leefloon of een equivalent leefloon ontvangt tussen 2001 en 2002 met 6,6 % steeg. Een groot deel van de steuntrekkers zijn jongeren. Jongeren zijn eveneens de grootste slachtoffers van de werkloosheid.

Meer dan een vierde van de Brusselaars leeft in een huishoudens zonder inkomen uit arbeid. Het bedrag van het leefloon bedraagt minder dan 60 % van het mediaan equivalent inkomen dat geldt als ondergrens voor de Europese armoederisico-indicator!

Ondanks het toenemende belang van socioprofessionele inschakeling en de uitbouw van de diensten voor socioprofessionele inschakeling in de OCMW's, daalt het aantal steuntrekkers bij de OCMW's niet. De noden inzake begeleiding van mensen die uit de boot vallen in onze maatschappij, overstijgt de mogelijkheden van de OCMW's. Vooral mensen die reeds langer afhankelijk zijn van OCMW-steun zijn moeilijk in te schakelen.

In de meeste gemeenten van de tweede kroon van het BHG is er in 2002 een lichte stijging van het aandeel mensen dat moet leven met een minimumuitkering. Toch blijven de contrasten tussen de rijkste gemeenten in het zuidwesten en het armste gemeenten in het centrum blijven erg groot. Het wordt moeilijker om de 19 gemeenten op te delen in een groep arme en groep rijke gemeenten, aangezien heel wat gemeenten gemiddeld scoren voor de meeste indicatoren.

De beschikbare armoede-indicatoren wijzen dus in geen geval op een vermindering van de armoede in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Ze bevestigen de vaststellingen van de vorige armoederapporten. Het is niet de vergrijzing die zorgen baart voor de toekomst van Brussel, maar wel het grote aandeel jonge mensen zonder toekomstperspectieven, de grote verschillen tussen arm en rijk, de hoge verwachtingen naar de sociale sector in vergelijking met de beschikbare middelen en het ontbreken van een gecoördineerd armoedebeleid.

Het tweede hoofdstuk behandelt de relatie tussen armoede, het gebrek aan inkomen en overmatige schulden.

Het gemiddeld inkomen van de Brusselaars is lager dan in België, behalve voor de 10 % rijksten. Voor ongeveer de helft van de Brusselse huishoudens zijn de inkomsten uit sociale uitkeringen belangrijker dan inkomens uit arbeid. 28 % van de Brusselse zelfstandigen zijn arm.

De helft van de huishoudens in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft meer uitgaven dan inkomsten. Toch hebben de Brusselaars gemiddeld minder uitgaven dan de Belgen. De Brusselaars hebben meer te maken met overmatige schulden dan gemiddeld in België.

Steeds meer mensen uit de middenklasse krijgen te maken met overmatige schulden. Toch zijn mensen met weinig inkomsten het meest kwetsbaar; mensen met een vervangingsinkomen, een leefloon, maatschappelijke dienstverlening van de OCMW's of mensen met lage lonen.

Overmatige schuldenlast is het gevolg van het opeenstapelen van verschillende soorten schulden. Consumentenkrediet is de belangrijkste bron van overmatige schuldenlast. Brusselaars besteden het grootste deel van hun budget aan huur, energie, gezondheidskosten en geneesmiddelen en aan belastingen en taxen.
Overmatige schuldenlast vormt een belangrijke rem op de participatie aan het maatschappelijk leven.

De wettelijke regelingen in de strijd tegen overmatige schulden worden vooral federaal genomen, behalve voor minimale energielevering en preventie tegen het afsluiten van huishoudens van gas en water. De drie Brusselse overheden erkennen schuldbemiddelingsdiensten om mensen te helpen uit de overmatige schuldenlast te geraken.

Preventie blijft het kleine broertje in de strijd tegen de overmatige schuldenlast.
De maatregelen die worden getroffen in de strijd tegen de overmatige schuldenlast zijn zeker zinvol maar kunnen onvoldoende oplossingen bieden zolang een groot deel van de Brusselaars niet over een voldoende inkomen beschikt om waardig te leven.

De auteurs sluiten het rapport af met een aantal beleidsvoorstellen:
·16 voorstellen zijn gebaseerd op het hoofdstuk over armoede-indicatoren en gaan vooral over de verbetering van de gegevensverzameling en het uitbouwen van een gecoördineerd armoedebeleid.
·68 voorstellen volgen uit de evaluatie van het probleem van schulden en een te laag inkomen en behandelen verschillende domeinen: maatschappelijke dienstverlening, sociale zekerheid, de organisatie van sociale diensten in het algemeen, de organisatie van schuldbemiddelingsdiensten, preventie, rechtshulp, federaal, regionaal en gemeentelijk beleid ter bestrijding van overmatige schuldenlast, vereenvoudiging van wetten en procedures, evaluatie.
Tot slot werden de beschikbare gegevens voor het rapport 2004 toegevoegd op vraag van het parlement en het Verenigd College om de voorziene termijnen in de ordonnantie te respecteren.

Het tweede deel van het 9de armoederapport zal worden samengesteld wanneer het Brussels parlement het rapport heeft besproken en aanbevelingen voor de strijd tegen de armoede voor de verschillende beleidsniveaus heeft opgesteld.

Roesems T., Perdaens A., april 2004

Integrale tekst

Samenvatting 

 

afdrukken
Home  
Nieuws  
Wie zijn wij?  
Brusselse context  
Gezondheid  
Armoede  
Indicatoren  
Publicaties  
Nieuwsbrief  
Projecten